Ondertusschen saten wy sonder schuylplaets inde wint en regen, en de wint waeyde 't water op het lant, dat het niet te seggen is, dus saten wy van onder en van boven den gheheelen nacht in 't water, en klappertanden van koude, ghelijck een yegelijck wel kan dencken, want wy waren naeckt en bloot, hadden niet als wy gingen en stonden, hebbende uyt het Schip niet met allen gheborgen.

Andries Stokram.